Stuifzanden

Zandverstuivingen zijn in de late middeleeuwen ontstaan door plaggen en
overbegrazing. Nu bestaat nog maar een klein deel van de oorspronkelijke
stuifzandgebieden uit kaal zand en pioniervegetatie. In deze gebieden komen veel
bijzondere korstmossen voor, vooral van het geslacht Cladonia
(rendiermossen, bekermossen en heidestaartjes), maar ook Stereocaulon
(Korrelloof) en Cetraria (kraakloof en IJslands mos).
Het kale stuifzand raakt van nature langzaam begroeid. Tegenwoordig wordt dat
geholpen door stikstofdepositie. Om het oppervlak stuifzand gelijk te houden,
wordt meestal bos verwijderd en de bodem afgeplagd. Het kan dan nog enkele
decennia voordat voordat zich een mooie korstmossenvegetatie heeft ontwikkeld.
Ook vormt opslag van jonge bomen een bedreiging voor het open stuifzand. In
stuifzanden worden bomen regelmatig verwijderd. Hierdoor blijft de
pioniervegetatie behouden.
Monitoring in stuifzanden
In het Landelijk Meetnet Korstmossen (NEM) worden korstmossen in zandverstuivingen
en duinen op honderden plekken gemonitord. Hiermee kunnen trends worden
berekend om de toekomstige Rode Lijststatus van de soorten te bepalen.
Topsoort: IJslands mos (Cetraria islandica)
|